Hoe Ascari altijd werd achtervolgd door het noodlot Formule 1

Hoe Ascari altijd werd achtervolgd door het noodlot

Door Harry Verolme 27 mei 2020 | 11:23


In verschillende culturen heerst de overtuiging dat de dag waarop je overlijden zal, al bij je geboorte is bepaald. Als dit daadwerkelijk zo is, dan is wijlen Alberto Ascari een tekenend voorbeeld van de duistere humor van Vrouwe Fortuna.

Vandaag, 26 mei 2020, is het exact 65 jaar geleden dat de tweevoudig Formule 1-kampioen, nog altijd de laatste Italiaan die deze prestatie geleverd heeft, het leven liet. En zoals Ascari voorbestemd was om grote hoogten te bereiken in de sport, zo ook was hij ongelukkig genoeg voorbestemd om in het harnas te sterven.

Als kleine jongen wordt ‘Ciccio’ voor het eerst geconfronteerd met de gevaren van het autoracen, wanneer zijn vader Antonio vier dagen na een flinke crash om het leven komt bij een ongeluk tijdens de Franse Grand Prix van 1925. Dat snelheid onontkomelijk in het bloed van de dan zesjarige Ascari zit, blijkt al gauw. De knul keert de sport die zijn vader het leven kostte de rug niet toe, maar omhelst deze des te steviger.

Ascari treedt in de voetsporen van zijn vader

In de jaren die volgen komt de passie die de jonge Ascari heeft voor het racen tot bloei. Wanneer Alberto in zijn tienerjaren motorfietsen ontdekt en zich daarop begint te richten, is het hek van de dam. In rap tempo werkt de jongen van Milaan zich op tot hij een fabriekszitje bij Bianchi onder de billen heeft. 

Het blijft echter kriebelen bij Ascari. Wanhopig om in de voetsporen van zijn vader te treden, stapt hij aan het begin van de veertiger jaren af op niemand minder dan Enzo Ferrari. Het illustere brein achter de legendarische Ferrari-optie, die kort daarvoor Alfa Romeo had verlaten om zijn eigen team te beginnen, was jaren eerder de teamgenoot geweest van Alberto’s vader en wil hem graag op weg helpen. Nadat Ascari in een door Ferrari geprepareerde bolide deelneemt aan de Mille Miglia weet hij het zeker: zijn hart ligt bij het autoracen.

Verhinderd door de Tweede Wereldoorlog duurt het tot 1947 totdat hij weer achter het stuur kan kruipen voor competitie. In korte tijd bouwt hij een reputatie van jewelste op door Grote Prijzen te winnen met Italiaanse merken als Maserati en Ferrari. Ascari laat een onuitwisbare indruk achter bij het publiek en vestigt zich als een ware volksheld. De liefde van de Italiaanse bevolking groeit alleen maar verder wanneer hij in het dan kersverse Formule 1-kampioenschap de sterren van de hemel rijdt.

Wereldkampioen in de Formule 1, met finesse

Na een aantal nette pogingen in 1950 werkt Ascari een jaar later zijn eerste volledige seizoen af op het hoogste niveau. Dat jaar moet hij de buit laten aan de grote Juan Manuel Fangio, maar in 1952 kan niemand aan de Milanees tippen. Ascari wint, afgezien van de Indy 500, iedere Grand Prix waaraan hij deelneemt, om vervolgens op overtuigende wijze met het kampioenschap aan de haal te gaan. Weer een jaar later declasseert hij met vijf overwinningen opnieuw het veld. 

Daarna neemt zijn loopbaan een drastische wending. Aan het eind van zijn tweede kampioensjaar verlaat hij Ferrari om zich aan te sluiten bij Lancia, waar op dat moment gewerkt wordt aan een eigen formulewagen: de D50. De Lancia bleek, in de juiste handen, machtig snel, maar was tegelijkertijd ook een listige machine.

Het was in diezelfde Lancia dat Ascari, daags voor zijn noodlottige ongeval, aan de leiding van de Grand Prix van Monaco gaat. In de slotfase geraakt de heldhaftige coureur aan kop nadat de Mercedes-motor van Stirling Moss de geest geeft. In een poging de wedstrijd niet uit handen te geven, zet Ascari nog een tandje bij, met alle gevolgen van dien. Bij het uitkomen van de tunnel verliest hij de controle over zijn wagen en schiet hij de Middellandse-Zee in. Ware het niet voor een gebroken neus, dan had hij de kade ongeschonden weer bereikt.

Ascari's noodlottige dag op Monza

Ascari laat zich door de snoekduik echter niet van zijn stuk brengen. Vier dagen later al baant hij zich een weg naar Monza om daar zijn kameraad, Formule 1-coureur Eugenio Castellotti, een Ferrari 750 te zien testen. Beide heren plannen de wagen samen te besturen voor de 1000 kilometerrace die er later dat jaar verreden wordt. Bijgelovig als hij was, had Ascari zijn overall, rijbril en gelukbrengende blauwe helm opzettelijk thuisgelaten om het die dag rustig aan te doen – zonder reed hij immers nooit.

Om wat voor reden dan ook besluit Ascari die onfortuinlijke dag tóch achter het stuur te kruipen. De Italiaan wil de rappe Ferrari een paar rondjes op een rustig tempo aan de tand te voelen. Halverwege zijn derde ommegang slaat het lot toe, wanneer Ascari afstevent op een snelle chicane, tegenwoordig geheten de Variante Ascari. De 750 slaat over de kop, Ascari wordt uit de auto geslingerd en overlijdt enkele minuten later.

Het is uitgerekend de zesentwintigste dag van de maand waarop Ascari het leven laat – dezelfde waarop zowel zijn vader als een goede vriend eerder overlijden. De man die kilometers omreed bij het zien van een zwarte kat, haatte het getal zesentwintig (tweemaal dertien) als de pest. Net als vader Ascari liet ook Alberto een weduwe en twee kinderen achter. Italië rouwde massaal om het verlies van de geliefde coureur, voor zijn begrafenis gingen ruim een miljoen mensen de straat op in Milaan. (Foto: Ferrari F1 Team)


Tags:

Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst, wees de eerste!

Reageer


Meer nieuws

Indeleiderstrui.nl

Meer wielernieuws