Dat wonderen bestaan en debuterende teams hun eerste Grand Prix daadwerkelijk kunnen winnen bewees het team van Brawn een precies tien jaar later, maar een dergelijk droomscenario kwam voor B.A.R. (British American Racing) niet uit.
En dat terwijl de mensen achter het team, teambaas Craig Pollock, voorheen manager van wereldkampioen Jacques Villeneuve, ontwerper Adrian Reynard (inderdaad die van de chassisbouwer) en stercoureur Villeneuve bij hoog en bij laag beweerden dat B.A.R. in Australië 1999 voor de zege zou strijden. Zo moeilijk was die Formule 1 immers niet.
B.A.R. werd opgericht in 1997 als marketing tool voor sigarettenproducent British American Tobacco, dat onder andere de merken Lucky Strike en 555 uitgeeft. B.A.R. is geen nieuw team, maar koopt de startplek van het Tyrrell team over. Ken Tyrrell, een racer in hart en nieren die al jaren moeite heeft om de rekeningen te blijven betalen kan de miljoenen dollars niet negeren en verkoopt zijn team. In 1998 beleeft Tyrrell haar zwanenzang met de Japanner Toranosuke Takagi en de Braziliaan Ricardo Rosset achter het stuur. Beide coureurs waren geselecteerd omdat ze het grootste sponsorbudget met zich meebrachten en het B.A.R. zo min mogelijk geld kostte om het team in 1998 operationeel te houden.
B.A.R. had plat gezegd in aanloop naar de officiële eerste GP in een 1999 een bijzonder grote bek over de aankomende prestaties. Dat vertaalde zich ook al in de slogan van het nieuwe team: ‘A Tradition of Excellence’. Veel ogen waren op B.A.R. gericht tijdens de presentatie van de B.A.R. 001, een door Reynard ontworpen wagen voorzien van een Supertec (= Renault) motor. Het team had een verrassing in petto. Beide wagens waren voorzien van een totaal verschillende look. De wagen van Villeneuve is Lucky Strike rood/wit en de wagen van de talentvolle Braziliaan Ricardo Zonta was Blauw/geel van sigarettenmerk 555. Een goed gebruik in de Amerikaanse racerij, maar not done in de Formule 1. B.A.R. kreeg dan ook geen toestemming om met twee verschillende liveries te racen. Het team protesteerde en kaartte ook een zaak aan bij de Europese commissie. Het zorgde ervoor dat teambaas Pollock zich moest komen verantwoorden voor het gedrag van het team. Een boete of schorsing werd slechts voorkomen door Pollock’s belofte om de arbitrage-protocollen van de FIA te respecteren. Niemand kon een glimlach onderdrukken. Het B.A.R. waarvoor de B. net zo goed voor bravoure had kunnen staan werd door de FIA behoorlijk op haar nummer gezet. Qua uiterlijk nam het team de slechtst denkbare oplossing: Het ‘knipte’ de designs door de helft en ‘plakte’ ze aan elkaar met een ritssluiting.
Met twee halve auto’s reisde B.A.R. naar Australië waar bleek dat die Formule 1 toch niet zo gemakkelijk was. Villeneuve had zich als elfde gekwalificeerd, maar verloor in de race zijn achtervleugel, spinde een aantal keren over de baan en raakte tot besluit de muur. Het was de eerste van elf (!!) opeenvolgende uitvalbeurten voor de Canadees. De B.A.R. was niet superslecht, maar wel super onbetrouwbaar. Zo lag Villeneuve een tijdje derde in de Spaanse Grand Prix, maar haalde hij de finish niet omdat hij naar de pits moet met een afgebroken achtervleugel element. Dat was nog wel te fiksen, maar bij het wegrijden uit de pits, sneuvelde zijn versnellingsbak.
Met teamgenoot Ricardo Zonta ging het ondertussen niet veel beter. De Braziliaan was hard gecrasht in de vrije training op het circuit van Interlagos, kon niet deelnemen aan de kwalificatie en derhalve de Braziliaanse Grand Prix en moest de komende drie races vervangen worden door de Fin Mika Salo.
Een ander dieptepunt voor B.A.R. was de Grand Prix van België op het circuit van Spa-Francorchamps. Daar crashten zowel Villeneuve als Zonta binnen een tijdsbestek van tien minuten op identieke wijze in Eau Rouge in de kwalificatietraining waarbij beiden hun B.A.R. totaal afschreven. Beide coureurs hadden afgesproken dat ze de legendarische bocht zonder van het gaspedaal te gaan wilden nemen. Ironisch genoeg was dat de eerste race dat Villeneuve de finish wél haalde.
Later is het met B.A.R. nog best wel goed gekomen in de Formule 1. Het scoorde in 2000 al de nodige WK-punten, was in 2004 het tweede team achter het superieure Ferrari en won in 2006 met Jenson Button een Grand Prix, al was het team toen al overgenomen door het team van Honda. Desalniettemin staat de iconische mislukking van het seizoen 1999 menig F1-volger die niet zoveel met grootspraak heeft nog vers in het geheugen.