De datum 2 april 1926
zegt de meeste Formule 1-fans waarschijnlijk weinig, maar deze datum kent wel
degelijk relevantie binnen de autosport. Dit is namelijk de datum waarop Sir Jack
Brabham het levenslicht zag. De Australiër, die na een divers en succesvol
bestaan in 2014 overleed, vormt een van de grootheden uit het verre Formule
1-verleden. Brabham was namelijk niet alleen een zeer kundig stuurman, maar had
waar ingenieursbloed door zijn aderen stromen, wat in de jaren ’60 resulteerde
in het ontstaan van een eigen raceteam. De alleskunner groeide uit
tot een ware F1-legende, en zette een unicum neer binnen de sport. Wie het geluk had om John Arthur Brabham, zoals zijn werkelijke naam luidt, in zijn jongere jaren tegen het
lijf te lopen nabij Hurstville, Australië, was het wellicht al wel bekropen dat het een bijzondere man was. Al
vroeg sloot hij zich aan bij de Royal Australian Air Force, waar hij als vliegtuigmechanicus aan de slag ging. De virtuoos was technisch aangelegd en verkende
dat talent door vóór zijn 22ste een kleine ingenieursworkshop op te
zetten waar hij aan voertuigen sleutelde. Als we heel feitelijk naar zijn
carrière kijken, moeten we dus eigenlijk concluderen dat Brabham in de eerste
plaats ingenieur was, en racen een nevenactiviteit.
In 1948 spreidde hij zijn vleugels en ontdekte hij niet
alleen New South Wales, de staat waar hij geboren was, maar ook de rest van
Oceanië. Halverwege vorige eeuw stippelden F1-coureurs hun pad naar de top van
de sport namelijk vooral zelf uit. Er bestonden geen kartklassen die opportuniteiten en
doorgroeimogelijkheden boden, maar enkel wat lokale competities waarin rijders
kennis konden maken met competitief racen. Carlos Reutemann begon in het
Argentinië van de jaren ’60 in een Fiat 1500, Brabhams keuze viel op midget car
racing – in Australië beter bekend als speedcar racing – nadat een Amerikaanse
vriend, Johnny Schonberg, hem overtuigde om eens een evenement te bezoeken.
Een Foyt dirt car uit 1961 - vergelijkbaar met de eenzitters waarin Jack Brabham zijn racecarrière begon. (Foto: Peter Hamer) 'All drivers are lunatics'
Brabham was niet ondersteboven van het idee dat hij in een
van de kleine wagentjes zou stappen. Hij was er van overtuigd dat alle coureurs
‘lunatics’ waren, zoals Doug Nye
omschrijft in zijn biografie, Brabham (2004). Schonberg wist Brabham te
overtuigen om een auto voor hem te produceren. Aanvankelijk was het enkel de
Amerikaan die plaatsnam in de wagen, maar toen zijn vrouw hem in 1948 overtuigde om te stoppen met racen, nam Brabham het stuur over. Hij was er goed
in. Zo goed, zelfs, dat hij zijn derde race al won, en er drie jaar op rij met het
Australian Speedcar Championship vandoor ging. Tijd voor iets uitdagenders,
moet hij gedacht hebben.
Van 1953 tot en met 1955 richtte hij zich namelijk op diverse grotere
raceklassen in Australië en Nieuw-Zeeland. Het was een succesvolle periode voor
Brabham, die in deze tijd tot ‘Black Jack’ bestempeld werd vanwege zijn donkere
haar, zijn genadeloze aanpak op het asfalt en zijn neiging om op gelegenheid
geen woord te zeggen. Deze ijzige stiltes liet hij gedurende de rest van zijn carrière soms vallen. Het racehart van de wereld lag in de jaren ’50 in
Europa, en niet in Australië. Het werd tijd voor de geboren technicus om zijn
geluk te beproeven in een ander continent.
Brabham en de familie
Cooper
Brabham reed in Australië vrijwel al zijn races in een serie
raceauto’s van de Cooper Car Company, welke hij uiteraard wel zelf aanpaste
alvorens deze te gebruiken. Eenmaal neergestreken in Groot-Brittannië kocht hij
eveneens een Cooper en nam hij deel aan veel nationale evenementen. Met
regelmaat had hij nieuwe onderdelen nodig voor zijn bolide. Hij pikte deze op in de Cooper-fabriek. Hij kwam er steeds regelmatiger over de vloer, wat leidde
tot een vriendschap met de eigenaren, Charlie en John Cooper. De Australiër
wilde dolgraag in de Formule 1 uitkomen voor Cooper, en bleef daarop aandringen
bij de twee heren. Ze waren niet te overtuigen, maar boden hem wel de sleutels
van de truck waarmee de auto’s naar het circuit verplaatst werden.
Vanaf dat moment was hij in essentie enkel nog bezig met
Cooper en haar auto’s, hoewel hij niet voor het bedrijf werkte. Halverwege het
1955-seizoen had hij eigenhandig de eerste auto in elkaar gedraaid die geschikt was voor de
Formule 1. 16 juli stapte hij voor het eerst in de bolide en nam hij deel aan
de koningsklasse, maar reed hij de race niet uit. Hij viel uit nadat de
koppeling afbrak, en reed bovendien met een illegale tweelitermotor. 2,5 liter
was in die periode het minimumaantal. Stirling Moss, eveneens een race-legende,
won de wedstrijd. Later kwam hij – buiten het F1-kampioenschap om – Stirling nog
eens tegen op de baan in Snetterton. Wederom won hij het niet van de Brit, maar
hij hield zich knap staande. Voor Brabham was het een teken dat hij het niveau
aan kon.
Sir Jack Brabham (links) en Sir Stirling Moss (rechts) geven elkaar een hand tijdens het Goodwood Revival Festival van 2004 in Sussex, Engeland. Brabham zit in zijn Brabham BT19, waarmee hij de wereldtitel van 1966 won. De twee heren waren in de jaren '60 rivalen. (Foto: Rich007/Richard) Brabhams back-to-back wereldtitels
Vier jaar later - in 1959 - werd Brabham de mogelijkheid geboden om definitief
te tonen dat hij het niveau van de F1-top aankon. Nog steeds rijdend in een Cooper begon hij aan het 1959-seizoen, en
wist hij meteen de seizoensopener te winnen, om vier races later, in Groot-Brittannië,
wederom zege te vieren. Met nog vier races op de kalender had hij een
voorsprong van dertien punten op Moss opgebouwd. Het zag er goed uit voor de
33-jarige, die tijdens de Portugese Grand Prix dat jaar maar nét aan de dood
ontsnapte.
Hij wilde een achterligger inhalen, die plots van lijn wisselde, en
daarmee de Cooper lanceerde tegen een elektriciteitspaal. Brabham werd
over het circuit geslingerd, een teamgenoot scheurde rakelings langs hem, en
wonder boven wonder hield hij er geen serieuze verwondingen aan over. In de
laatste race van het jaar viel zijn auto stil vanwege een brandstoftekort in de laatste ronde, na vrijwel de hele race aan de leiding te hebben gelegen.
Hij duwde zijn auto over de eindstreep en eindigde als vierde, al was dat niet
nodig. Moss (ook actief in een Cooper) en zijn andere titelrivaal, Tony Brooks (in een Ferrari), haalden de eindstreep
niet, en het eerste kampioenschap van Brabham was, met 31 punten in totaal, binnen.
De honger naar succes was nog niet gestild, maar de eerste
Grand Prix van 1960 beloofde niet veel goeds. Hoewel een Cooper T51, dezelfde auto als waarin Brabham plaatsnam, de Grand
Prix van Argentinië won, viel het hem op dat vele concurrenten sneller
waren, maar enkel vanwege betrouwbaarheidsproblemen de zege niet binnen konden
slepen. Het motiveerde de technicus om met een verbeterde versie, de T53, aan
te treden bij het eerstvolgende evenement.
John Cooper, een van de twee eigenaren van het merk, wilde de bolide niet
updaten, en er ontstond een breuk in de relatie. Brabham deed het op eigen houtje en reed de eerste race met de T53 niet
uit, maar pakte daarna vijf opeenvolgende zeges: de Grands Prix van
Nederland, België, Frankrijk, Groot-Brittannië en Portugal gingen allen naar
hem. De daaropvolgende Grand Prix van Italië, die verreden zou worden op Monza,
werd afgelast vanwege de slechte staat waarin de baan verkeerde – alle Britse
teams boycotten het evenement. Daarmee schonken ze Brabham nog vóór de laatste race van
het jaar zijn tweede wereldkampioenschap.
Motor Racing Developments en Brabham Racing
Organisation
Cooper ging niet met haar tijd mee en liep in 1961 een
dusdanig grote achterstand op ten opzichte van andere fabrikanten dat het
slechts als elfde eindigde in het wereldkampioenschap. Een jaar later werd het
tijd voor Brabham om de vruchten te plukken van de samenwerking die hij in de tussentijd begonnen was met ontwerper
Ron Tauranac. De heren zetten een bedrijf op, Motor Racing Developments, toen Brabham nog voor Cooper reed. Vanaf 1962 reed Brabham voor zijn eigen team, de Brabham
Racing Organisation. Tot en met 1965 bleven successen uit wegens een nieuwe
motorformule die doorgevoerd werd in de sport. Het limiet van 1500cc paste niet
bij wat Brabham voor ogen had, en in die eerste vier jaar dat hij zijn eigen team
had, kwam BRO niet verder dan een zevende plek in het
constructeurskampioenschap.
Brabham had echter nog één titel te veroveren, en
het kon ook eigenlijk niet anders dan dat zijn technisch vernuft hem deze
laatste zege opleverde. De F1 had in 1966 wederom te maken met een
reglementswijziging op motorisch gebied. De nieuwe motoren bevatten een
drielitertank en bleken met twaalf cilinders zware, onbetrouwbare motorblokken.
Veel teams kampten in die eerste jaren van de wijziging dus met
betrouwbaarheidsproblemen terwijl Brabham een andere richting insloeg. Hij overtuigde
ingenieursbedrijf Repco om een achtcilindermotor voor hem te ontwikkelen die
gebaseerd zou zijn op een bestaand Oldsmobile-motorblok. Brabham wist dat hij
op puur vermogen in zou leveren, maar wist ook dat deze motor, mits hij werkte,
lichter zou zijn en betrouwbaarder zou zijn. De Repco-motor
werd, gecombineerd met het door Tauranac ontwikkelde chassis, een
succesverhaal.
Waar de andere teams de betrouwbaarheidsproblemen niet weg
wisten te werken, wist Brabham zes van de negen races uit te rijden, en er vier
te winnen. Alan Henry, auteur van Brabham: The Grand Prix Cars (1985) omschreef
hoe Brabham geïrriteerd raakte door de persberichten over zijn leeftijd. Met
veertig jaar was hij inmiddels immers een veteraan in de autosport, en dat was de pers niet ontgaan. Voorafgaand
aan de Grand Prix van Nederland snoerde hij zijn critici op humoristische wijze
de mond door met een nepbaard en een wandelstok naar zijn bolide toe te lopen, en
vervolgens de race op Circuit Zandvoort te winnen.
Jack Brabham wint de Grand Prix van Nederland op 24 juli 1966. Vóór de race werd hij nog bekritiseerd voor de leeftijd, maar met zijn prestatie snoerde hij de critici de mond. (Foto: Eric Koch) In 1960 werd Brabham de
eerste coureur die een race won in een auto die zijn eigen naam droeg. In
datzelfde jaar stelde hij in Italië zijn derde wereldtitel veilig, en werd hij
de eerste en enige coureur tot dusver die een kampioenschap heeft weten te winnen in zijn eigen auto. Een jaar later ging de wereldtitel eveneens naar het team van
Brabham, maar won teamgenoot Denny Hulme. Volgens ingewijden had dit deels te
maken met het feit dat Brabham nieuwe onderdelen graag eerst zelf
uitprobeerde, wat hem over het hele seizoen vanuit een betrouwbaarheidsperspectief
nekte. Wel wist hij zesenveertig punten te vergaren, vier meer dan in 1966, wat hem een tweede eindklassering opleverde.
Het momentum verdween bij het team en Brabham liep een verwonding
op aan zijn voet in een testongeluk in zijn laatste jaar in de sport. Hoewel hij het 1970-seizoen nog wel
uitreed - na de seizoensopener te winnen, overigens – beloofde hij zijn vrouw
dat het zijn laatste jaar in de F1 zou zijn. Hij hield zijn belofte en zo viel
een van de meest indrukwekkende Formule 1-carrières ooit in het slot. Het team,
dat in 1969 omgedoopt werd tot Motor Racing Developments (MRD) ging naar zijn
compagnon, Tauranac, die het tot 1972 beheerde en het daarna verkocht aan Bernie Ecclestone. De geest van de drievoudig wereldkampioen
leefde zo voort in de sport, al besloot hij, samen met zijn familie, definitief
afstand te doen van alles met vier wielen en een motor.
Terug naar Australië
Hij besloot met zijn vrouw Margaret en zijn drie zoons,
Geoff, Gary en David, terug te reizen naar het platteland van Australië, een
verhuizing die hij zelf niet zag zitten, maar waar zijn vrouw op stond. Ze hoopte
dat haar zoons zo niet in de verleiding zouden komen om ook een carrière in de
autosport na te streven. Hoewel Brabham door de jaren heen nog enkele keren in
Europa te vinden was, onder meer op het Goodwood Revival-festival, keerde hij
in geen enkele hoedanigheid terug naar de autosport en bracht hij zijn laatste
levensjaren door in het land waar hij ooit opgroeide en in de speedcars aan
zijn illustere raceleven begon.
Op 19 mei 2014 overleed hij op 88-jarige leeftijd aan de
ontbijttafel na lang last te hebben van een leverziekte. Zijn nalatenschap in
de racerij leverde hem gedurende zijn leven veel waardering op, niet alleen in
Australië, maar wereldwijd. Zo kreeg hij de Britse ridderorde toegewezen, werd
hij in 1966
Australian of the Year en
is er een wijk in Perth naar hem vernoemd. Ook werd hij benoemd tot
National Living Treasure in 2012, een
status die slechts honderd levende Australiërs gelijktijdig toegekend wordt. Ontvangers
van deze eervolle vermelding zijn mensen die buitengewone toevoegingen gedaan hebben aan de
Australische gemeenschap. Het is duidelijk dat Brabham in zijn thuisland zeer gewaardeerd
werd, maar overduidelijk is ook dat 'Black Jack' zijn stempel op de Formule 1
gedrukt heeft. Het is zeker niet onwaarschijnlijk dat de technicus, topcoureur,
ondernemer en vader de enige wereldkampioen ooit zal blijven die won, viel,
herrees en zegevierde in een bolide van eigen makelij. (Hoofdfoto:
Eric Koch)
Door: Christian Moerman | Twitter: @ChristianMoerm1