Max Verstappen hoort volgens Andrew Benson thuis in een bijzonder kleine categorie Formule 1-coureurs. De Britse BBC-journalist wijst erop dat het extreem lastig is om mee te doen om een wereldtitel wanneer je niet over de beste auto beschikt. Juist daarom ziet hij Verstappens recente seizoen, waarin hij tot het einde druk zette op Lando Norris en McLaren, als een prestatie die doet denken aan de grootste kampioenschapsjachten uit de geschiedenis. Benson krijgt een vraag over kampioenen en het winnen met mindere auto’s. Max Verstappen wordt direct genoemd, maar de Britse journalist ziet dat andere grote namen worden vergeten. “In essentie zijn het alleen de allerbesten”, stelt de Brit. "Op het eerste gezicht ziet je lijst er goed uit, maar je hebt twee gigantische namen weggelaten:
Lewis Hamilton en
Alain Prost", zo vertelt hij in zijn eigen
Q&A.Hamilton wordt ook direct genoemd door Benson.
Prost leverde volgens Benson misschien wel zijn meest uitzonderlijke seizoen af in 1986. De Fransman reed toen voor McLaren, maar wist de Williams-coureurs Nigel Mansell en Nelson Piquet alsnog te verslaan in de titelstrijd. “Prosts meest uitzonderlijke seizoen was 1986”, stelt Benson. “Toen versloeg hij de twee Williams-coureurs in wat duidelijk een inferieure McLaren was", vertelt de Brit.
Hamilton hoort volgens Benson eveneens in deze categorie thuis. De Brit pakte in 2008 zijn eerste wereldtitel, maar volgens Benson is het allesbehalve zeker dat McLaren dat jaar de beste auto had. “Er is ook een zeer sterke zaak te maken dat Hamilton in 2008 niet de beste auto had met McLaren”, legt hij uit. “En hetzelfde geldt mogelijk voor Hamilton en Alonso in 2007", zo maakt hij duidelijk.
Alonso was ook een extreem talent
Benson baseert dat mede op latere vergelijkingen met
Ferrari-coureurs Felipe Massa en Kimi Räikkönen. Fernando Alonso was bij McLaren zeer aan Hamilton gewaagd en bleek later bij Ferrari duidelijk sterker dan zowel Massa als Räikkönen. “Het punt is dat Hamilton en Alonso extreem dicht bij elkaar zaten”, schrijft Benson. “Terwijl Alonso zowel Massa als Räikkönen comfortabel versloeg", aldus Benson.
Ferrari moet volgens Benson in die jaren dus over sterk materiaal hebben beschikt. “Als Ferrari in die jaren om de titel kon vechten tegen McLaren, dan kon dat alleen maar zijn omdat hun auto beter was”, stelt hij. Ook in 2017 en 2018 nuanceert Benson de dominantie van Mercedes. “Zelfs toen Hamilton won, was de Ferrari gedurende een groot deel van beide seizoenen de betere auto", stelt hij over zijn landgenoot.
Alonso blijft voor Benson misschien wel het duidelijkste moderne voorbeeld van een coureur die een titelstrijd gaande hield zonder over de beste auto te beschikken. “Het opvallende jaar dat relevant is voor deze vraag, is 2012”, schrijft hij. “Toen reed Alonso zijn beste seizoen en bracht hij de titelstrijd naar de laatste race in wat statistisch gezien de vierde snelste auto was", legt hij uit. Uiteindelijk kwam Alonso net tekort.
De tekst gaat verder onder de afbeelding.
Verstappen presteert geweldig in minder materiaal.
Benson noemt die prestatie van Alonso ronduit uitzonderlijk. “Dat was een absoluut buitengewone prestatie, en terecht wordt die gevierd”, stelt hij. Volgens de BBC-journalist had Alonso zelfs wereldkampioen kunnen worden als hij niet buiten zijn schuld was uitgevallen in België en Japan. “Als slechts één van die twee incidenten niet was gebeurd, had hij de titel niet verloren aan Sebastian Vettel.”
Verstappen wordt door Benson nadrukkelijk naast dat soort prestaties geplaatst. De Nederlander kwam vorig seizoen dicht bij Lando Norris en McLaren, ondanks dat zijn Red Bull niet altijd het beste pakket was. “Over Max Verstappen heb ik geen bezwaar”, schrijft Benson. “Nadat hij vorig seizoen zo dicht bij Lando Norris en McLaren kwam, was dat Alonso 2012-achtig." Verstappen kwam uiteindelijk maar één punt tekort.
Senna liet hetzelfde zien
Senna mag volgens Benson evenmin ontbreken in deze discussie. “Senna won de titel in 1991 in een McLaren die inferieur was aan de Williams FW14 van Mansell”, stelt hij. Wel wijst Benson erop dat Williams dat jaar door betrouwbaarheidsproblemen werd gehinderd. Ook 1990 ziet hij als een mogelijk voorbeeld. “Waarschijnlijk deed hij het ook in 1990, in zijn McLaren tegenover Prosts Ferrari", stelt hij duidelijk.
Schumacher is volgens Benson een ingewikkeldere casus. “De Benetton was in 1995 mogelijk inferieur aan de Williams”, schrijft hij. “Maar Schumacher was toen consequent een betere coureur dan Damon Hill en David Coulthard.” Over 1994 is Benson nog voorzichtiger. “Zou Schumacher Senna in 1994 hebben verslagen als de Braziliaan niet was omgekomen op Imola? Onwaarschijnlijk.”
Schumacher hoort ook in het rijtje thuis
Benson ziet bij Schumachers Ferrari-jaren weinig ruimte voor dezelfde claim. “Het is moeilijk te beargumenteren dat een van zijn Ferrari-titels werd gewonnen in een inferieure auto”, stelt hij. Volgens hem zijn er sowieso maar weinig duidelijke voorbeelden van kampioenen die niet over de beste auto beschikten. “Daarbuiten zijn er niet veel voor de hand liggende gevallen waarin de kampioen niet de beste auto had", zo legt hij uit.
Verstappen blijft daarmee voor Benson vooral relevant omdat hij in de moderne Formule 1 opnieuw liet zien hoe zeldzaam zo’n prestatie is. De beste auto wint meestal, maar soms houdt een coureur de strijd toch open door zelf boven het materiaal uit te stijgen. Volgens Benson is dat precies waarom Verstappen in dit rijtje thuishoort: niet als enige grote naam, maar wel als een van de weinige coureurs die dat niveau daadwerkelijk haalt.