Max Verstappen wist voor de tweede keer in
zijn carrière wereldkampioen van de Formule 1 te worden. Vanwege de banden tussen
Red Bull Racing en Honda was het extra speciaal dat hij dit wist te bewerkstelligen
gedurende het Grand Prix-weekend in Japan. Verstappen is niet de enige coureur
die een Formule 1-kampioenschap wist te winnen in het Oost-Aziatische land.
Zeven coureurs gingen hem immers voor. F1Maximaal zet de twaalf
voorgaande titelbeslissende races in Japan op een rijtje.
Voorafgaand aan de Grand Prix van Japan werd er veel
gerekend bij het team van Red Bull. Verstappen moest acht punten meer scoren
dan Charles Leclerc en zes punten meer dan teamgenoot Sergio Pérez. Tijdens de
zondag van de race moest er opnieuw veel gerekend worden, aangezien er veel discussie
was over het uitdelen van de volledige punten of halve punten. Na enige verwarring
werd duidelijk dat de wedstrijdleiding volledige punten mocht uitdelen,
waardoor Verstappen voor het eerst wist te winnen in Japan, waarmee het land
voor de dertiende keer het toneel was voor een beslissende race in de titelstrijd.
De afgelopen Grand Prix van Japan was de 36e
editie van de race. De Grand Prix is het vaakst verreden op het circuit van
Suzuka, maar de race heeft ook wel eens een uitstapje gemaakt naar de Fuji
Speedway. In 1995 en in 1996 reed de Formule 1 ook de Pacific Grand Prix in
Japan, namelijk op het TI Circuit Aida. Met de wereldtitel voor Verstappen is
Japan nu officieel het land waarin de meeste Formule 1-kampioenschappen
gewonnen zijn. Italië staat daarmee op de tweede plek, met twaalf titelbeslissende
races.
Er was even verwarring, maar bij Red Bull Racing mocht de champagne ontkurkt worden voor een heus titelfeestje.
1976: Hunt beslist zenuwslopende
rivaliteit in zijn voordeel
In 1976 werd de eerste Grand Prix van Japan verreden.
De eerste editie van het evenement werd gehouden op de Fuji Speedway en het
circuit was direct het strijdtoneel van een zinderende apotheose. Het
1976-seizoen kende namelijk een prachtige rivaliteit tussen James Hunt en Niki
Lauda. De rivaliteit is ook bij het grote publiek bekend geworden, mits men de
verfilming van de titelstrijd een kans gaf (de film ‘Rush’ kwam in 2013 uit,
red.). De rivaliteit tussen de voormalig Formule 1-coureurs werd echter alleen
op de circuits belichaamd, want buiten de baan waren de twee rijders redelijk
goed bevriend.
Voor Hunt was het echter geluk bij een ongeluk dat hij
op de Fuji Speedway nog een kans maakte op de wereldtitel. Lauda was in de
eerste helft van het seizoen namelijk zeer dominant, terwijl de Engelsman te
maken kreeg met veel betrouwbaarheidsproblemen. Lauda kende echter een
angstaanjagende crash op de Nürburgring, waardoor zijn bolide in brand vloog
en hij uit de wagen gered moest worden. Hunt wist de race te winnen, wat cruciaal
was voor zijn titelkansen. Zijn rivaal moest in de twee races die volgden een
pas op de plaats maken en toekijken. De Oostenrijker keerde, met nog vier races
te gaan, terug in zijn bolide, maar hij wist zijn vorm niet terug te vinden.
Hunt, aan de andere kant, wist na de Grand Prix van
Duitsland nog eens drie races te winnen. De Brit had in Japan nog een
achterstand van drie punten op Lauda. Toen het eenmaal tijd was voor de race
was het weer echter verschrikkelijk. De vraag was of de race überhaupt doorgang kon vinden, maar de coureurs besloten dat het veilig genoeg was om te
rijden. Lauda moest in de tweede ronde echter concluderen dat het te nat was en
hij besloot zijn auto in de garage te parkeren. Doordat Hunt in de laatste fase
van de race de derde plek wist te bemachtigen, scoorde hij vier punten en
versloeg hij zijn rivaal met één punt verschil, waardoor hij zijn enige kampioenschap
wist te winnen.
1987 – Schoonvader Piquet doet het voor op
bijzondere wijze
In 1987 keerde de Grand Prix van Japan na een afwezigheid
van negen jaar weer terug op de Formule 1-kalender. Ditmaal werd de Grand Prix
gehouden op circuit van
Suzuka en was het de één-na-laatste race van het
seizoen. Nelson Piquet, de schoonvader van Verstappen, had een voorsprong van
twaalf punten op
Nigel Mansell. De Braziliaan moest er dus voor zorgen dat hij
een voorsprong van negen punten wist te behouden voor de laatste race om al als
kampioen gekroond te worden in Japan.
Dat ging makkelijker voor de drievoudig wereldkampioen
dan hij waarschijnlijk zelf had gedacht. De coureur hoefde immers niet te
wachten tot het einde van de race om zijn derde, en tevens laatste, titel te
kunnen claimen. Mansell kende namelijk een zeer heftige crash in de vrije
training, waardoor hij met een blessure de race aan zich voorbij moest laten
gaan. Aangezien er maar negen punten werden vergeven voor een overwinning was
de voorsprong van twaalf punten dus voldoende voor Piquet om kampioen te worden
in Japan. Mansell moest overigens ook de laatste race van het seizoen laten
schieten.
1988-1991 – Rivaliteit tussen Prost en Senna
bereikt meermaals kookpunt
In de vier jaren die volgden na de Grand Prix van 1987
was het circuit van
Suzuka het strijdtoneel van de verhitte rivaliteit tussen
Ayrton Senna en
Alain Prost. In 1988 verliep het nog redelijk mild tussen beide
rijders. Prost had een overwinning nodig om nog een kans te maken op het
wereldkampioenschap, maar Senna mocht de weergoden op zijn blote knieën
bedanken. De Braziliaan had een speciaal talent voor het racen in de regen en
gedurende de race in Japan begon het inderdaad te regenen. In ronde 27 was
Senna voorbij aan Prost en vanaf dat moment kon hij zijn voorsprong uitbouwen
en zo beslag leggen op zijn eerste wereldtitel.
Een jaar later verliep de titelstrijd heel erg anders.
Zo anders zelfs dat Prost na afloop van het seizoen deze fameuze woorden zei: ‘Ik
ben best blij dat ik mag vertrekken, want het is absoluut onmogelijk geworden
om nog samen te werken met Ayrton.’ De Grand Prix van Japan in 1989 zag dat de
rollen tussen beide rijders in vergelijking met 1988 omgedraaid waren. Senna
moest winnen om zijn titel te prolongeren. De coureur van
McLaren wist technisch
gezien de race ook wel te winnen, maar hij werd direct na afloop gediskwalificeerd.
Daar had hij zijn teamgenoot Prost aan te danken.
De Fransman was in het begin van de race uitstekend
weg en hij wist een groot gat te creëren naar zijn teamgenoot. Senna besloot
echter een stuk later dan zijn teamgenoot naar binnen te gaan, waardoor hij op
verse banden het gat kon dichtrijden. Senna besloot in ronde veertig zijn
bolide naast die van Prost te zetten in de laatste chicane, maar Prost had
andere ideeën. Hij stuurde gewoon in, waardoor de twee
McLaren-rijders
samenkwamen. De race van Prost zat erop, maar Senna kon, door de chicane af te
snijden via een sluiproute, zijn wedstrijd vervolgen. Dat vond de
wedstrijdleiding maar niks, waardoor er besloten werd om de Braziliaan te
diskwalificeren. McLaren had daar niets op in te brengen en Senna kreeg ook nog
eens een boete.
Wat in 1990 duidelijk werd was dat beide rijders graag
de rollen omdraaiden. Ditmaal was het immers weer Prost die in de achtervolging
moest, terwijl Senna met een voorsprong in het kampioenschap de Grand Prix van
Japan inging. Voor beide coureurs was de race na één bocht al voorbij. Senna
haalde in zekere zin zijn gram voor wat er een jaar eerder gebeurde. Senna
mocht de race vanaf poleposition starten, maar dat was gek genoeg de vuile kant
van de baan. De
McLaren-coureur was slecht weg, terwijl Prost, die dat jaar bij
Ferrari reed, goed weg was. Senna besloot het heft in eigen handen te nemen en
in een niet bestaand gat te duiken in bocht 1. Beide rijders schoten van de baan
en Senna was tweevoudig wereldkampioen.
In 1991 was de titelstrijd een stuk vriendelijker. Ditmaal
moest Senna het opnemen tegen Mansell, waarbij de Britse coureur ervoor moest
zorgen dat hij de volle punten pakte op het circuit van
Suzuka. Dat lukte de
coureur van Williams niet, aangezien hij zijn race al vroegtijdig moest staken.
Voor Senna was het niet meer belangrijk of hij de race zou winnen of niet,
waardoor hij de overwinning uiteindelijk schonk aan teamgenoot Gerhard Berger. Hij was niet echt gediend van de liefdadigheid van de drievoudig
wereldkampioen.
1995 en 1996 – Schumacher wint titel
zonder controverse, Hill haalt zijn gram
In 1995, het jaar dat Ajax de Champions League wist te
winnen, werd de titel beslist in Japan, maar niet tijdens de Grand Prix van
Japan. Michael Schumacher pakte, met nog twee races te gaan, het kampioenschap
tijdens de Pacific Grand Prix. Het werd een race waarin de Duitser hard
moest werken voor de zege. De coureur van Benetton was in gevecht met Damon Hill,
die het afgelopen jaar de titelconcurrent was van Schumacher, en pas na de
eerste reeks pitstops was hij voorbij aan de Brit. Toen opende de nu
zevenvoudig wereldkampioen de jacht op David Coulthard die hij simpel wist te pakken.
Door de zege was hij niet meer in te halen door Hill en was Schumacher een tweevoudig
wereldkampioen.
Hill moest dus nog een jaar wachten op een mogelijke
titel. Dat kampioenschap van de Engelsman kwam er uiteindelijk ook in 1996. De
Grand Prix van Japan was weer de laatste race van het seizoen en Jacques
Villeneuve had wiskundig gezien nog kans op de wereldtitel. Daarvoor moest de
Canadees zelf de race winnen en Hill had dan geen punten mogen scoren. Het
tegenovergestelde gebeurde uiteindelijk. Villeneuve schoot van de baan af,
nadat een wiel los was gekomen. Hill pakte de volle tien punten en mocht
zichzelf eindelijk wereldkampioen noemen.
1998 en 1999 – Häkkinen weet met McLaren
Ferrari van titel te houden
Sinds het kampioenschap van Senna in 1991 was er geen coureur
meer die de titel wist te winnen voor
McLaren. In 1998 bracht
Mika Häkkinen
daar verandering in. De coureur ging met een voorsprong de laatste race op
Suzuka in, maar Schumacher mocht vanaf poleposition starten. Deze plek raakte
de
Ferrari-coureur echter kwijt nadat hij bij de start zijn motor liet afslaan
en de start uitgesteld moest worden. Met Häkkinen op kop en Schumacher achteraan
lag de weg naar een eerste titel voor de Fin vrij. Deze titel was veiliggesteld
nadat Schumacher een klapband kreeg en de race moest staken. Häkkinen won voor
de goede orde gewoon de race.
Een jaar later was de coureur van
McLaren opnieuw in
gevecht met
Ferrari. Schumacher leek de voornaamste titelconcurrent te zijn van
Häkkinen, maar de coureur brak zijn been na een crash in Groot-Brittannië en moest een gedeelte van
het seizoen aan zich voorbij laten gaan.
Eddie Irvine, de tweede rijder bij de
Scuderia, wist het Häkkinen echter wel heel lastig te maken. De Brit ging
immers met een voorsprong de laatste race van het seizoen in. Het verschil tussen beide rijders in Japan was echter heel groot. Häkkinen wist de
race te winnen, ondanks dat Schumacher er alles aan deed om hem te passeren.
Irvine werd tijdens de Grand Prix opgehouden door Coulthard, de teamgenoot van Häkkinen,
waardoor hij ruim anderhalve minuut na de Fin over de streep kwam op de derde
plek.
2000 en 2003 - Schumacher doet het
eindelijk voor Ferrari
Schumacher stapte in 1997 in bij het team van
Ferrari
en dat vond men een vreemde keuze van de coureur. De Italiaanse renstal was
destijds namelijk een vervallen gigant in de Formule 1. Toch was Schumacher in
1997 en 1998 al een hoofdrolspeler in de titelstrijd, terwijl hij in 1999 dus
door een gebroken been geen rol wist te spelen. Schumacher was echter wel uitermate
belangrijk voor de wederopstanding van Ferrari. Deze wederopstanding wist hij
in 2000 eindelijk te bezegelen met zijn derde wereldtitel in de Formule 1 en de
eerste coureurstitel voor Ferrari sinds 1979.
In 2000 ging het opnieuw tussen Schumacher en Häkkinen.
De
Ferrari-coureur startte het seizoen uitstekend, maar door meerdere uitvalbeurten van de man uit Hürth wist Häkkinen het gat te dichten. Voor de Grand Prix van Japan, de één-na-laatste
race van het jaar had Schumacher een voorsprong van zes punten. Met de puntenverdeling
van destijds was het voldoende voor de coureur van de Italiaanse renstal om de
race te winnen om zeker te zijn van de titel. Ferrari kon Schumacher wel op een
boodschap sturen in zijn seizoen van dominantie, wat betekende dat de coureur
de zege op
Suzuka in de wacht wist te slepen. Häkkinen werd wel tweede, maar
moest de titel laten aan de Ferrari-rijder.
Drie jaar later moest Schumacher wachten tot de
laatste race van het seizoen voordat hij zichzelf officieel kampioen mocht
noemen. Dit seizoen was zijn voornaamste concurrent opnieuw iemand uit Finland
en opnieuw iemand die voor
McLaren reed, namelijk Kimi Räikkönen. De jonge
coureur had een achterstand van negen punten, waardoor hij ervoor moest zorgen
dat hij de race op
Suzuka won en hij moest hopen dat Schumacher geen punten scoorde. Het
was echter de teamgenoot van de zevenvoudig wereldkampioen, Rubens Barrichello,
die wist te winnen op Suzuka, waarmee de titelhoop voor Räikkönen officieel
vervlogen was. Bovendien pakte Schumacher een punt, waardoor een kampioenschap
voor de nog jonge Fin onmogelijk was.
2011 – Duidelijke gelijkenissen tussen
Vettel en Verstappen
De tweede titel van Verstappen
en
Sebastian Vettel hebben een aantal gelijkenissen. Vettel was in 2011 een Red
Bull-coureur die een jaar eerder zijn eerste wereldkampioenschap pakte in Abu
Dhabi. Op 9 oktober wist de huidig Aston Martin-coureur zijn titel te prolongeren
op het circuit van
Suzuka. Elf jaar later geldt voor Verstappen precies hetzelfde.
Hij is een Red Bull-rijder die op 9 oktober op het circuit van Suzuka zijn
tweede wereldtitel pakte nadat hij een jaar eerder kampioen werd in Abu Dhabi. Daarnaast
waren er nog vier races te gaan voor Vettel na de Grand Prix van Japan, wat nu
ook geldt voor de Nederlander. Beide coureurs kenden dus een beduidend
makkelijker seizoen dan in het jaar waarin ze hun eerste wereldkampioenschap
wonnen.