Met Lando Norris heeft de Formule 1 na een pauze van vier jaar weer een Britse wereldkampioen. Groot-Brittannië heeft met de titel van 2025 erbij een totaal aan 21 wereldkampioenschappen, verdeeld over elf wereldkampioenen in totaal, en is daarmee dus zeker dominant te noemen. Maar wie waren de eerste tien wereldkampioenen ook alweer? Na de Grand Prix van Abu Dhabi, de seizoensfinale van het 2025-seizoen waar de ontknoping in de titelstrijd plaatsvond, stelde
Lewis Hamilton dat zijn land veel goede coureurs voortbrengt. Dat valt al af te leiden uit het aantal Britse coureurs in de Formule 1 op dit moment: naast Hamilton en Norris rijden ook mede-Britten
George Russell en
Oliver Bearman in de Formule 1. Bovendien heeft
Alexander Albon naast de Thaise ook de Britse nationaliteit.
Het land is daarnaast ook hofleverancier van wereldkampioenen. Met elf kampioenen in totaal en 21 wereldkampioenschappen reden de Britten meer dan een kwart van de kampioenschappen bij elkaar en is daarmee uiteraard recordhouder. Nu Norris zich heeft aangesloten in dit rijtje, duiken we voor de gelegenheid de geschiedenis in van de Britse wereldkampioenen, vol uiteenlopende levensverhalen, prestaties en ongelukken.
Controversiële coureur werd eerste Britse kampioen
Al in 1958 mocht een Brit zich voor het eerst tot wereldkampioen kronen, namelijk
Mike Hawthorn. Een knappe prestatie uiteraard, maar Hawthorn is wellicht het meest bekend vanwege de ramp bij de
24 Uur van Le Mans in 1955. De Brit haalde rivaal Lance Macklin in, maar remde. Macklin week uit en kwam op het pad van Pierre Levegh. De
Mercedes-coureur raakte Macklin en werd gelanceerd richting het publiek.
Bij het ongeluk vlogen delen van de auto rond en er ontstond een brand. 82 toeschouwers kwamen bij de ramp om het leven en ook Levegh, die uit de auto geslingerd werd, overleed. Macklin raakte gewond, maar overleefde het ongeval.
Juan Manuel Fangio wist het incident net te ontwijken. Hawthorn won met zijn Jaguar-teamgenoot de race en werd lachend en champagnedrinkend gefotografeerd, wat tot grote afschuw leidde, gezien de vele doden.
De tekst gaat verder onder de afbeelding.
Hawthorn was de eerste Brit die zich tot Formule 1-kampioen mocht kronen.
Hawthorn reed van 1952 tot 1958 in de Formule 1 en pakte dus in dat laatste seizoen de titel. Het jaar erna kwam hij bij een ongeluk op de openbare weg om het leven, uitgerekend in een Jaguar, ongeveer drie maanden nadat hij met racepensioen was gegaan. Een echt racepensioen was het niet, want achteraf bleek dat Hawthorn en de andere betrokkene, Rob Walker, op de openbare weg tegen elkaar raceten.
De Britten hoefden niet lang op hun tweede kampioen te wachten, want in de jaren zestig won
Graham Hill twee titels en ook in de jaren ertussen kende de Formule 1 meerdere Britse kampioenen. Hill won zijn eerste titel in 1962 met een flinke afstand van 12 punten tot
Jim Clark op plek twee. Bruce
McLaren werd vlak daarachter derde. Hij won zijn tweede titel in 1968, nadat eerder dat seizoen teamgenoten Clark en Mike Spence om het leven waren gekomen.
Tragisch einde lijkt het lot voor de Britten
Ook Hill zelf kwam op tragische wijze om het leven. De Brit zat in een vliegtuigje op de weg terug van een testsessie op het
Paul Ricard-circuit in Frankrijk. De andere passagiers waren ook leden van het team Embassy Hill, het team dat hij had opgericht. Hill was zelf de piloot van het vliegtuigje. Een specifieke oorzaak is nooit achterhaald, maar de politie acht de kans groot dat Hill de daling inzette vanwege een fout bij het inschatten van de afstand door de mist. Hij liet onder andere een zoon achter, die later ter sprake zal komen.
Clark werd wereldkampioen in 1963 en 1965. In 1963 was Clark dominant: hij won zeven van de tien races dat seizoen, een record dat lang niet verbroken kon worden tot een zekere
Ayrton Senna de Formule 1 binnenwandelde. Hill werd tweede met twee zeges. In 1965 pakte hij de titel met een voorsprong van veertien punten op diezelfde Hill, zijn grootste rivaal. In 1968 kwam de coureur om het leven bij een incident op de Hockenheimring. Hij lag op dat moment aan de leiding in het kampioenschap dat uiteindelijk door Hill werd gewonnen.
De tekst gaat verder onder de afbeelding.
In 2018 in België werd Leclercs leven mogelijk gered door de halo, de zoon van Surtees stierf bij een soortgelijk incident toen de halo nog niet bestond.
De Britse invasie is niet compleet zonder John Surtees, de kampioen van 1964. Hij deed in de jaren zestig meermaals mee om de titel maar wist deze slechts één keer te winnen. Hij versloeg Hill met slechts één punt verschil, terwijl Clark op plek drie eindigde. Ook het jaar erna bestond de volledige top drie weer uit Britse coureurs. De term ‘de Britse invasie’ die in deze periode gebruikt werd, spreekt voor zichzelf: de Britten maakten de dienst uit in de Formule 1.
Surtees is de eerste Britse coureur uit de lijst die geen tragisch levenseinde kende, maar dat betekent helaas niet dat hij gespaard werd. Zijn zoon Henry was actief in de Formule 2, tot hij tijdens een race op Brands Hatch in 2009 overleed. Een wiel van een andere auto raakte zijn hoofd, waarna hij rechtstreeks tegen de barrière aanreed. Hij was op het moment van overlijden slechts 18 jaar. Jaren later gebeurde een soortgelijk incident in de Formule 1. De inmiddels geïntroduceerde halo redde destijds mogelijk Charles Leclercs leven.
De kampioen met de iconische petjes
De volgende Britse kampioen is een graag geziene gast in de paddock en staat altijd klaar om ter plekke interviews te regelen voor tv-kanalen. Het gaat uiteraard over niemand minder dan
Jackie Stewart, die in 1969, 1971 en 1973 de titels op zijn naam schreef. De inmiddels 86-jarige zette record na record neer en was lange tijd de enige Brit die minstens drie wereldkampioenschappen had gewonnen.
In 1969 won Stewart de titel met gemak. Hij eindigde het seizoen op 63 punten, terwijl de Belg Jacky Ickx tweede werd met slechts 37 punten. Dat was een verschil van 'een hele Bruce
McLaren', want de Nieuw-Zeelander werd met 26 punten op grote afstand derde. Het jaar erna ging het Stewart veel minder voor de wind, want hij werd slechts vijfde, om vervolgens in 1971 weer de titel te pakken met een nog grotere voorsprong dan in 1969.
De tekst gaat verder onder de afbeelding.
Stewart, hier met Alesi en Prost, is nog altijd een graag geziene gast in de Formule 1-paddock.
In 1973 was het gat kleiner, maar was Stewart duidelijk weer de beste van het veld. Hij had een voorsprong van 16 punten op
Emerson Fittipaldi, de kampioen van het jaar ervoor en het jaar erna. Zeker niet de minste van het stel. Toen de Brit besloot met pensioen te gaan, had hij zowel het record voor meeste zeges als het record voor meeste podiums, al vallen die getallen bijna in het niet wanneer je naar de meest succesvolle coureur kijkt, van de Britten en überhaupt.
Groot-Brittannië haalde na deze invasie nog twaalf titels, waarvan meer dan de helft door één coureur gewonnen werd. De andere overgebleven kampioenen wonnen er elk één. De eerste uit die reeks is James Hunt, erg bekend vanwege zijn rivaliteit met
Niki Lauda, die zelfs het witte doek haalde met de film Rush. Van 1973 tot 1979 reed ‘the Shunt’ in de Formule 1 en hij pakte zijn titel in 1976 na een intense titelstrijd met Lauda.
Geluk bij andermans ongeluk voor Hunt 'the Shunt'
Lauda had in eerste instantie een voorsprong op Hunt, maar elke motorsportfan weet wat er in het seizoen 1976 gebeurde met de Oostenrijker. Hunt kwalificeerde op poleposition, Lauda op startpositie twee. Tijdens de race verloor Lauda in Bergwerk de controle over zijn
Ferrari, waarna de auto in de vangrail klapte, terug de baan op kaatste en in brand vloog. Enkele andere coureurs, zoals Arturo Merzario, Guy Edwards, Harald Ertl en Brett Lunger, stopten direct en trokken Lauda uit de brandende wagen.
Hunt won uiteindelijk de race in Duitsland na de herstart, terwijl Lauda enkele races moest missen. Zes weken later stond hij gewoon weer aan de start in Monza, een comeback die tot op de dag van vandaag als legendarisch wordt beschouwd. Bovendien reed de Oostenrijker de Grand Prix in Japan dat jaar niet uit vanwege het slechte weer. Hij reed twee rondes en kwam weer binnen. De titelstrijd was desondanks spannend, want uiteindelijk sloot Hunt het seizoen af met 69 punten en kwam Lauda met 68 punten net tekort.
De tekst gaat verder onder de afbeelding.
Hunt overleed op relatief jonge leeftijd, maar rivaal Lauda was ook decennia later niet weg te denken uit de Formule 1.
De Britten moesten na dit seizoen 16 jaar wachten op hun volgende kampioen. De bekendste snor uit de Formule 1 bracht in 1992 weer een titel naar Groot-Brittannië.
Nigel Mansell had geen moment echt een tegenstander. Hij pakte met zijn
Williams 108 punten, terwijl zijn teamgenoot
Riccardo Patrese de tweede plek pakte met slechts 56 punten, bijna de helft minder.
Lang was Mansell in het bezit van het record van meeste polepositions in een seizoen. Pas in 2011 werd het verbroken door een dominante
Sebastian Vettel. Het seizoen van 2011 had wel drie races meer en dus drie extra kansen. Mansell presteerde bovendien iets waar
Fernando Alonso en Hamilton vast jaloers op zijn: hij won na zijn veertigste nog een Grand Prix.
Zo vader, zo zoon
Vader Hill is al genoemd, maar ook zoon
Damon Hill heeft een titel op zijn naam staan, namelijk die van 1996. Een prestatie die enkel Keke en
Nico Rosberg als vader-zoonduo wisten te evenaren. Na Alain Prost en twee jaar Michael Schumacher haalde Hill het kampioenschap weer terug naar het Britse schiereiland. Hill deed dit net als Mansell in een
Williams en zag ook zijn teamgenoot,
Jacques Villeneuve, tweede worden. Hill geeft nog altijd graag zijn mening over wat er allemaal in de autosport speelt.
Inmiddels komen we aan bij kampioenschappen die wat frisser in het geheugen liggen. Na 1996 kende de sport verscheidene wereldkampioenen: één keer naar Canada, drie keer naar Finland, vijf keer naar Duitsland en twee keer naar Spanje. De derde Finse titel was wellicht enigszins onverwacht, want dit had zomaar een Spaanse of Britse kunnen zijn. Hamilton had namelijk de mogelijkheid geschiedenis te schrijven.
De tekst gaat verder onder de afbeelding.
Hamilton had in zijn rookiejaar kampioen kunnen worden met McLaren.
De Brit kwam als rookie binnen bij
McLaren en bleek tegenwicht te kunnen bieden aan regerend wereldkampioen Alonso. Interne strubbelingen en incidenten tijdens de race zorgden er echter voor dat Hamilton niet als rookie tot kampioen werd gekroond. Hij deed het wel in zijn tweede seizoen: met één punt verschil versloeg Hamilton
Felipe Massa en pakte hij de eerste van zeven titels. De Braziliaan hoopt echter via een rechtszaak alsnog de titel op zijn naam te kunnen zetten, wat alles te maken heeft met Crashgate
.Hamilton moest even geduld hebben tot zijn volgende titel kwam, maar de Britten niet.
Jenson Button pakte namelijk in 2009 de titel. Aan het begin van het seizoen had hij een behoorlijk dominante Brawn-bolide en won hij meteen zes van de eerste zeven races, waardoor hij een enorme voorsprong opbouwde. Grote teams haakten in en Brawn wist niet bij te blijven wat betreft ontwikkelingen.
Hamilton regeert na onderbreking verder
Ondanks dat de concurrentie dus sterker werd, bleef Button constant punten scoren en fouten vermijden, waardoor niemand zijn voorsprong nog kon inhalen. In Brazilië stelde hij de titel veilig met een sterke inhaalrace naar P5, genoeg om wereldkampioen te worden.
Sebastian Vettel werd op gepaste afstand tweede, maar bleek de vier jaren erna een plaaggeest voor de Britten.
Na de dominantie van
Red Bull Racing en Vettel was het weer de beurt aan Hamilton. Hij was inmiddels van
McLaren vertrokken naar
Mercedes, een meesterzet. In 2014 en 2015 pakte de man uit Stevenage zijn tweede en derde titel, waarbij zijn teamgenoot bij Mercedes, Rosberg, zijn voornaamste tegenstander was. De Duitser onderbrak de titelreeks door in 2016 zelf de titel te grijpen. Hij stopte daarna meteen.
De tekst gaat verder onder de afbeelding.
Hamilton verloor in 2016 van Rosberg, jaren later beëindigt de hier piepjonge Verstappen zijn dominantie.
Van 2017 tot en met 2020 was het weer aan Hamilton. In 2017 en 2018 probeerde Vettel met zijn
Ferrari nog iets uit te halen, maar uiteindelijk was Hamilton de duidelijke winnaar. In 2019 en 2020 was het ook niet bijzonder spannend: Hamilton werd wederom twee keer eerste en werd teamgenoot Bottas op afstand tweede. Het achtste wereldkampioenschap leek in 2021 binnen handbereik, maar na de beruchte seizoensfinale was het Verstappen die daar zijn eerste titel won.
De hegemonie zet zich voort
Verstappen bleef de jaren erna winnen, tot dit jaar. Norris en teamgenoot
Oscar Piastri wisten vanaf het begin dat ze over uitstekend materiaal beschikten en leken lang onderling uit te gaan maken wie er kampioen werd. Piastri nam op een gegeven moment afstand, maar viel na de zomer flink terug. Verstappen maakte juist enorm veel goed. Uiteindelijk maakten ze alle drie nog kans op de titel in Abu Dhabi.
Norris deed wat hij moest doen en reed rustig naar een derde plaats en dus zijn eerste titel, de 21e voor zijn land. Een unieke prestatie was het niet, maar het seizoen zal velen bijblijven vanwege de sterke comeback van Verstappen en de papaya rules. Het zal Norris weinig uitmaken. Hij heeft de titel en mag zich tot ver in 2026 regerend wereldkampioen noemen.
Wie wordt de volgende Britse wereldkampioen?
Nu heerst de grote vraag: wanneer krijgen we weer een Britse kampioen? Hamilton hoopte op iets moois met
Ferrari, maar worstelde vooral in 2025 en is inmiddels bijna 41. Ferrari moet dus een auto bouwen die zeer sterk is en zeer goed bij Sir
Lewis Hamilton past om die droom levend te houden. De geruchten doen de ronde dat mede-Brit Bearman zijn beoogde opvolger is, een naam om in het achterhoofd te houden.
Logischere kandidaten zouden Norris en Russell zijn. Norris is kersvers kampioen en zit vol vertrouwen. Als
McLaren weer een sterke auto weet te bouwen, kan het zomaar weer eens spannend worden in de strijd om de titel, waar hij en Piastri dan aan mee zullen doen. Russell is ook niet uit te sluiten:
Mercedes was enorm dominant na een soortgelijke regelwijziging halverwege de jaren 2010 en Russell is een constante coureur. Hij zou zomaar als een duvel uit een doosje kunnen komen en de Zilverpijlen kunnen laten juichen. Enkel de tijd zal het leren.