Ted Kravitz en Karun Chandhok nemen in The F1 Show-Podcast het afgelopen seizoen onder
de loep, en al snel kwam één inzicht bovendrijven: geen van de drie
hoofdrolspelers, Max Verstappen, Lando Norris en Oscar Piastri, reed een
foutloos jaar. Verstappen spinde bij de herstart op Silverstone, verloor punten
in Spanje en had een auto die in de eerste seizoenshelft ‘gewoon niet goed
genoeg was’, zoals Chandhok het samenvatte. Ook bij McLaren werden kansen
gemist op momenten dat het team juist had kunnen toeslaan. Kravitz merkt op dat het seizoen daardoor lang open bleef.
In sommige fases was Verstappen de coureur in vorm, in andere periodes Piastri, en
dan weer Norris. De titelstrijd kreeg daarmee iets onvoorspelbaars: drie
rijders die op verschillende momenten het momentum hadden, maar het niet
volledig konden vasthouden. Volgens Kravitz had het kampioenschap daardoor drie richtingen op gekund, afhankelijk van een paar cruciale weekenden.
Wat is de beste optie?
Dat bracht het gesprek op een fundamentele vraag: werkt een
team beter met twee gelijkwaardige kopmannen, of met één uitgesproken nummer
één?
McLaren was hét voorbeeld van het eerste model. Norris en Piastri kregen
volledig de vrijheid om elkaar te bevechten, iets waar Chandhok wel van genoot. ‘Het is leuker, het geeft ons meer om over te praten’, lacht hij. Maar hij
waarschuwt ook dat McLaren daarmee bijna de rekening gepresenteerd kreeg. ‘Ze
kwamen er op het einde bijna bekaaid vanaf. Twee punten verschil, ze waren bijna voor schut gezet.’
De tekst gaat verder onder de afbeelding.
Norris kon Verstappen nog net van de titel houden.
Red Bull Racing vertegenwoordigde, zoals vaker, het andere uiterste en leunt de laatste jaren vooral op Verstappen. Kravitz verdedigt het systeem fel. ‘Als
je een rijder hebt die absoluut in de top drie aller tijden zit, die de meeste
races wint in een auto die niet altijd de beste was en tot op twee punten van
Norris komt… hoe kun je aan dat model twijfelen?’
Maar er zit een kwetsbaarheid in, zo benadrukt Chandhok. ‘Waar
het misging voor Red Bull, is misschien wel dat ze té veel nadruk op Max
legden. Als
Yuki Tsunoda in een paar van die races tweede was geworden, was de titel
al binnen geweest.’ De tweede auto pakte simpelweg te weinig punten. Volgens
hem roept dat herinneringen op aan eerdere duo’s die wél functioneerden: Michaels Schumacher–Rubens Barrichello en
Mika Häkkinen–David Coulthard. Een sterke nummer twee kan
levensreddend zijn op slechte dagen.
Afhankelijk van het doel
Toch kreeg
McLaren veel lof voor de manier waarop het team
zijn coureurs liet strijden. ‘Zak Brown en
Andrea Stella verdienen krediet’, zegt Kravitz. ‘Ze
laten de jongens racen. Het is goed voor de show en goed voor de business.’
Maar zodra de vraag op tafel komt wat je als team belangrijker vindt: de
constructeursbokaal of de rijderstitel, wordt de nuance scherper.
De tekst gaat verder onder de afbeelding.
In tegenstelling tot 2024 kon McLaren dit jaar wel twee titels vieren.
Chandhok legt het droog uit: ‘Als je prioriteit het constructeurskampioenschap is, dan moet je doen wat
McLaren doet: twee
gelijkwaardige coureurs zonder nummer één. Maar als je voor de rijderstitel gaat, heeft dit
jaar bewezen dat je maar één man kunt hebben die ervoor gaat. Schumacher had
gelijk,
Fernando Alonso had in 2007 had gelijk,
Sebastian Vettel had gelijk, je kunt niet twee rijders
tegelijk richting dezelfde titel pushen.’